28 mei 2009 Prof. dr. Waslander, programmaleider onderzoek van Expeditie durven, delen, doen over ruimte voor scholen in Trouw (28 mei 2009).
Vorige week zette de Tweede Kamer een streep onder de discussie over de urennorm in het voortgezet onderwijs – na demonstraties van leerlingen, protesten van scholen en vele Kamerdebatten. De Kamer stemde in met een voorstel van staatssecretaris Van Bijsterveldt. De kern daarvan is dat scholen meer ruimte krijgen om te bepalen wat nuttige onderwijstijd is; daarover moeten zij overleggen met ouders. Dat is een verstandige aanpak: kennelijk durft de politiek scholen verantwoordelijkheid te geven. En dat is nodig ook, als we de ambitie van kennissamenleving écht serieus nemen.
De discussie over de urennorm is heftig geweest. Demonstraties van scholieren tegen ‘ophokuren’ trokken aandacht. Ook scholen waren boos. Ging het nu om kwantiteit of kwaliteit?! Terwijl het protest in het veld aanzwol, hield de politiek de poot aanvankelijk stijf. Van een aantal scholen werd zelfs een deel van de bekostiging teruggevorderd. Nadat de discussie volledig dreigde te escaleren, werd naar goed Nederlands gebruik een commissie ingesteld. Deze commissie heeft zinvol werk gedaan en staatssecretaris en Kamer volgen nu de grote lijn van het advies.
Uit onderzoek dat wij binnenkort publiceren, blijkt dat het thema onderwijstijd met stip op één staat als we scholen vragen welke thema’s in het politieke en publieke debat van invloed zijn op hun eigen functioneren. Dat is ook logisch. Want hier wreekt zich bij uitstek het spanningsveld tussen een overheid die met een uniforme maatregel iets wil bereiken en een praktijk die steeds diverser wordt. Exemplarisch zijn de scholen die de ene dag het predikaat ’excellent’ krijgen van de onderwijsinspectie, waarna diezelfde inspectie een boete uitdeelt vanwege overtreding van de urennorm. Hoe belangrijk is kwaliteit dan nog?
Dat spanningsveld tussen uniforme maatregelen en een pluriforme sector zien we terug bij vele thema’s. Zo moet politiek Den Haag niet vreemd opkijken als een soortgelijke discussie ontstaat naar aanleiding van het zogeheten Convenant LeerKracht. Met de beste bedoelingen zijn hierin afspraken gemaakt om docenten beter te belonen. Maar ook hier laten de uniforme, centrale afspraken zich soms lastig rijmen met de praktijk. Zo kan het gebeuren dat scholen met een eigen, doordachte aanpak die leerlingen maximale mogelijkheden biedt om hun talenten te ontwikkelen, er onbedoeld zwaar door in de problemen komen.
Natuurlijk, een maatregel zal altijd verschillend uitpakken in verschillende situaties; dat is inherent aan overheidsbeleid. Maar hier is meer aan de hand. Uit ons onderzoek blijkt dat overheidsbeleid bijna álle scholen hindert. Niet vanwege de ene of de andere specifieke maatregel, maar door de combinaties ervan. Scholen ervaren maatregelen als ad-hoc en inconsistent. Dat maakt het voor scholen lastig om zelf consistent langetermijnbeleid te voeren. Terwijl precies dat nodig is voor kwaliteitsverbetering van het onderwijs.
Er is de afgelopen jaren veel discussie over de kwaliteit van het onderwijs. Maar de vraag moet zijn of de overheid en wij met elkaar scholen en docenten in staat stellen om hun werk goed te doen. Als ons onderzoek één ding laat zien, dan is het wel dat pers en politiek het scholen niet makkelijk maken. Scholen moeten zich voortdurend aanpassen aan onvoorspelbare wensen van buitenaf en tegelijk hun eigen koers behouden. Dat kost tijd die niet aan andere dingen kan worden besteed.
Onze analyse van het onderwijsdebat laat zien dat het proces van beleids- en besluitvorming zelf een substantieel deel van het kwaliteitsvraagstuk is. De grote ironie, of beter gezegd tragiek, is dat alle betrokkenen van alles doen, vaak met de beste bedoelingen, om het onderwijs te verbeteren. Maar de combinatie van al die maatregelen hindert scholen eerder dan dat die helpt om de kwaliteit van hun onderwijs te verbeteren.
Als knellend en inconsistent beleid en de hectiek van het publieke debat belemmerend werken, is het natuurlijk de vraag hoe deze impasse te doorbreken is. Het antwoord klinkt simpel, maar zal van politici en beleidsmakers heel wat vragen: geef scholen meer ruimte en vertrouwen. Gezien de aard van het publieke debat lijkt deze remedie tegen de tijdsgeest in te gaan. Maar ook de commissie-Dijsselbloem zei het al: de oplossing ligt niet in extra overheidsbemoeienis, maar in ruimte voor scholen.
In dit licht bezien is het feit dat Van Bijsterveldt de urennorm enigszins verlaagt niet half zo belangrijk als haar keuze om de definitie van onderwijstijd te verruimen. Daardoor krijgen scholen meer lucht en kunnen zij keuzes maken die passen bij hun eigen beleid. Het allerbelangrijkste is dat de staatssecretaris de scholen hiermee vertrouwen geeft. En dat is precies wat nodig is om uit de impasse te raken.
Sietske Waslander heeft dit artikel geschreven naar aanleiding van een onderzoek naar de invloed van het politieke en publieke debat op het functioneren van scholen voor voortgezet onderwijs dat zij samen met Maartje van der Weide heeft uitgevoerd voor het Innovatieproject. Het onderzoek van Sietske Waslander bestrijkt de periode van 1 oktober 2007 tot 1 september 2008: het eerste jaar van Expeditie durven, delen, doen. Aan de hand van de gebeurtenissen in de politiek en de berichtgeving in de media (‘het onderwijsdebat’) is in kaart gebracht welke druk van buitenaf invloed uitoefent op het voortgezet onderwijs. Daarnaast zijn voor deze studie alle Expeditiescholen geïnterviewd: Wat betekent de context voor scholen, hoe gaan ze ermee om en welke implicaties heeft dat? De publicatie Politiek, pers en praktijk. Over de context waarbinnen vo-scholen innoveren verschijnt later dit jaar.

