9 december 2009 Onderzoeker Expeditie durven, delen, doen van de Vrije Universiteit
1. Kun je uitleggen waar jij in het kader van Expeditie I mee bezig bent
Met een groep onderzoekers van de Vrije Universiteit en het Kohnstamm Instituut van de UvA heb ik het onderzoek van het deelprogramma ‘Met plezier naar school’ onder mijn hoede. We onderzoeken de innovaties op twee heel verschillende scholen: de ene school is bezig met leren vanuit cultureel en kunst, de andere school probeert leerlingen met gedragstoornissen en psychiatrische problemen binnen het regulier vmbo een diploma te laten halen. Wij onderzoeken of de innovaties opleveren wat de bedoeling was: leerlingen motiveren om te leren op school. Omdat het gaat om innovaties in ontwikkeling, brengen we gedurende de drie jaar dat de Expeditie duurt ook in kaart hoe de innovaties stapsgewijs vorm krijgen. Daar kunnen andere scholen straks van leren.
2. Hoe ervaar jij de intensieve samenwerking met scholen?
Het is heel leuk om zo dicht bovenop een school in zo’n spannend proces te zitten; zien waar de school mee worstelt en aan oplossingen te kunnen bijdragen. Meestal weet je als onderzoeker niet wat er met je onderzoeksresultaten gebeurt, maar hier kunnen ze meteen praktisch vertaald worden. Maar er zijn ook lastige aspecten. Innoverende scholen zijn geen strak opgezette onderzoeksomgevingen zoals de methodologieboeken veronderstellen. Het gaat er altijd anders dan je dacht. Hoewel de scholen zelf hebben gekozen om aan het onderzoek mee te doen, hebben de leraren niet altijd meer tijd voor interviews en het invullen van vragenlijsten dan op andere scholen. Ook hebben we echt moeten zoeken naar nieuwe communicatiestructuren en organisatievormen, waarin docenten, schoolleiding en onderzoekers elkaar op de juiste momenten tegenkomen.
3. Wat is voor jou als onderzoeker, in vergelijking met ander onderzoek, de waarde van praktijkgericht onderzoek?
Je weet zeker dat je met vragen bezig bent waar iemand graag het antwoord op wil weten. Je onderzoek kan direct bijdragen aan een verbetering in het onderwijs. De kennis die het onderzoek oplevert is geen kennis uit een laboratoriumsetting, maar gaat over de dagelijkse werkelijkheid op scholen. De andere kant is overigens dat die kennis niet zomaar generaliseerbaar is naar andere scholen en andere situaties.
4. Waarom is onderzoek voor scholen van belang?
Om te beginnen komen via onderzoek resultaten van eerder verricht onderzoek de school binnen. Het is belangrijk om bij vernieuwingen rekening te houden met wat al bekend is. Verder maakt het feit dat er onderzoek wordt gedaan dat scholen heel scherp moeten formuleren wat de bedoeling van de innovatie is, waarom ze denken dat de innovatie zo zal werken en waar succes of mislukken aan afgemeten kan worden. Dat is op zich vaak al heel verhelderend. Het onderzoek zelf functioneert als spiegel voor de school. Krijgen we voor elkaar wat we gedacht hadden? Waarom wel of niet? In veel scholen ontstaat door intensieve deelname aan onderzoek ook een meer onderzoekende houding; de gewoonte om je af te vragen wat je precies wilt bereiken, hoe je dat denkt te doen, en of het is gelukt.
5. Hoe zie jij de toekomst voor het doen van onderzoek op scholen?
Ik ben heel blij dat de afgelopen jaren het bewustzijn is ontstaan dat het verstandig is om, als je op scholen een vernieuwing invoert, met behulp van onderzoek vast te stellen of je daarmee inderdaad bereikt wat je beoogde. Innovatie en onderzoek moeten hand in hand gaan. Tegelijkertijd hebben onderzoekers hun blik steeds meer naar de onderwijspraktijk gericht. Beide ontwikkelingen zijn niet meer weg te denken. Onderzoek en scholen zijn dichter bij elkaar gekomen. Hoe onderzoek op scholen er precies uit zal gaan zien en door wie het gedaan wordt kan variëren. Externe onderzoekers zullen hun expertrol blijven spelen, maar in de Expeditie zien we ook dat docenten als onderzoeker functioneren. Dat is een mooie ontwikkeling, vooral omdat het mensen helpt om met een meer onderzoekende houding in hun dagelijkse praktijk te staan. Ik pleit er altijd voor om wel de eigen rol van onderzoekers en leraren in de onderzoekssamenwerking te erkennen. Ik vind dat leraren zich niet bezig hoeven houden met de verwerking van gegevens, de statistiek, het categoriseren en netjes opschrijven. Tot slot hoop ik dat we in de toekomst verder zullen komen met de vraag hoe we van het soort schoolspecifieke kennis dat bijvoorbeeld de Expeditie oplevert tot meer algemene kennis kunnen komen.

