Column: 'Participerende observant?'

9 december 2009 Myra Zweekhorst, programmaleider Innovatieproject

Steeds vaker zijn op scholen wetenschappers te vinden. Een goede zaak. Het Innovatieproject laat onderzoekers samen met scholen wetenschappelijk onderzoek doen naar de impact van innovaties op de kwaliteit van het onderwijs. Dat is in de eerste plaats nuttig voor de school zelf: schoolleiders en docenten kunnen onderbouwd aangeven wat er in hun school en in hun klaslokaal wel en niet werkt. Maar misschien nog wel belangrijker is dat uiteindelijk de hele samenleving profiteert van de samenwerking tussen wetenschappers en scholen. Als het goed is, levert dat onderzoek immers niet alleen waardevolle kennis op voor de school zelf, maar ook voor andere scholen. Alleen gaat dat natuurlijk niet altijd vanzelf.
 
 Binnen ´Expeditie durven, delen, doen´ is wetenschappelijk onderzoek een van de belangrijkste onderdelen. Dat gaat als volgt: scholen hebben vragen. De onderzoekers scherpen deze aan en gaan er vervolgens mee aan de slag. Dat klinkt eenvoudig, maar de praktijk is weerbarstiger. Het verzamelen van wetenschappelijke data vindt immers plaats binnen een dynamische organisatie: de school. Bij het uitvoeren van het onderzoek - interviews, observaties -  moeten onderzoekers rekening houden met de wensen van de scholen. Ook moeten de onderzoekers soms nog vragen toevoegen of minder schoolspecifiek maken om overstijgende data te kunnen verzamelen. Dit soort onderzoek is dus op zijn zachtst gezegd complex.
 Deze complexiteit maakt het onderzoek minder transparant. Dat zorgt ervoor dat mensen minder waarde hechten aan dit soort wetenschappelijk onderzoek in het onderwijs. Echt wetenschappelijk onderzoek associëren mensen toch eerder met witte jassen in een laboratorium waarin je de ideale omstandigheden kunt creëren. Een school is verre van een ideaal laboratorium. De terughoudendheid ten aanzien van dit soort onderzoek in het onderwijs is echter onterecht. De rol van onderzoekers op scholen is vergelijkbaar met de wijze waarop ook andere wetenschappers hun veldwerk doen.
 Een goed voorbeeld zijn antropologen. Zij observeren en participeren binnen een groep. Wie kent niet het beeld van een antropoloog die tussen de mensen van een Afrikaanse stam woont die hij ook onderzoekt? Door de participerende observatie beïnvloeden antropologen zelf het onderzoek en zijn uitkomst. Dit lijkt af te doen aan het wetenschappelijk karakter van het onderzoek, maar is de enige manier om informatie te verzamelen. Antropologen weten dat en beschrijven daarom ook nauwkeurig wat de condities en randvoorwaarden zijn waaronder zij hun onderzoek uitvoeren. Hierdoor is duidelijk waar de grenzen van het onderzoek liggen en hoe de uitkomst geïnterpreteerd moet worden.
 Van deze openheid kan het onderwijsonderzoek leren. Het is namelijk niet alleen een wetenschappelijke vereiste, maar zorgt ook voor het noodzakelijke draagvlak binnen het onderwijs. De actuele verkenning van onze onderzoekers om algemene randvoorwaarden en condities voor het praktijkgericht onderzoek op te stellen juich ik daarom ook toe. Dit moet uiteindelijk leiden tot meer duidelijkheid over de rol van onderzoekers en scholen. Een betere rolverdeling prikkelt scholen om een nog meer onderzoekende houding aan te nemen. Dat is niet alleen goed voor de scholen zelf, maar ook voor het onderwijs in zijn geheel.

 

Volg ons: LinkedIn  twitter  rss feed
Hoe gebruik ik RSS?

foto